De Buurvrouw 2015-8

‘Heb je al een idee waar je de volgende keer over gaat schrijven?’, vraagt buurvrouw. Ik moet helaas antwoorden dat ik nog enkel idee heb. Maar nu is dat meestal zo. Soms is er wel een leuk of misschien minder leuk onderwerp waarvan je denkt: Dat kan ik gebruiken de volgende keer. Maar meestal is het zo dat ik achter de pc kruip, vaak op een zondagmorgen, en dat ik maar gewoon begin. Het lijkt er wel een beetje op dat dit nu ook het geval is. Maar dan zou ik nu niet bij de buren op bezoek zijn.

 ‘Ik zou het niet weten’, antwoord ik eerlijk, ‘er zijn zoveel onderwerpen dat het maken van een keuze erg moeilijk is. Maar het is ook nog geen zondag dus is er nog tijd genoeg.’

‘Nou’, zegt Watze, ‘je zou best eens iets over kleding kunnen schrijven. Ik zag laatst op de tv een programma dat ging over oude klederdrachten. Er zijn nog altijd mensen die de oude klederdracht van hun streek of dorp nog dragen. In Staphorst, Volendam, Spakenburg en in plaatsen in Zeeland zijn er nog vrouwen die in hun streekdracht lopen. Dan is er toch wel veel veranderd in de loop der jaren. Je kon toen niet eens zien wat voor vlees je in de kuip had met al die onderrokken. Soms alleen maar een paar blote armen en daar moest je het als man maar mee doen.’

Ja, dan is het tegenwoordig wel heel anders. Vooral met wat warme dagen komt er veel bloot te voorschijn. Maar volgens Watze is dat niet altijd even mooi. Vooral als je wat ouder wordt, de benen soms wat te dun en soms wat te dik en hier en daar de aderen wat blauwer en dikker, dan kun je maar beter iets aan hebben dat dit alles wat meer bedekt. Ze hoeven tenslotte niet alles van je te zien.

 

En zo komen we al pratend op onze jeugd terecht. Watze weet nog wel dat zijn oma altijd in het zwart liep. Een zwarte jurk met een donkerbont schort door de week en op zondag een wat nieuwere zwarte jurk met een grote zilveren broche opgespeld. Ook opa droeg meestal donkere kleding of een blauw werkjasje en broek.

En dan onze eigen jeugd. Heel lang liep je als jongen in een korte broek. Ik weet nog dat ik naar de mulo eerst ook nog een korte broek droeg. Er zijn wat oude foto’s waarop ik sta afgebeeld in een gebreid pakje. Geel met bruin, de broek zit met knopen vast aan het bovenstuk. Veel kleding werd zelf gemaakt en vooral ook gebreid. Ik heb nog een foto van de lagere school waar ik over een geruit hemd een vestje met een rits draag, grijs met donkerrode mouwen. En een foto waarop ik mijn ‘padvindersriem’ draag. Daar hoorde ook een mesje aan. Tegenwoordig zou dat niet meer mogen. Een wapen mee naar school!

Toen kwam eerst nog de ‘plus four’, een over de knie vallende pofbroek, die Kuifje in zijn stripverhaal droeg, voordat je een lange broek kreeg. Een foto uit midden de jaren vijftig toont mijn zus en mij in een lange jas. Het is in de winter want ik draag op die foto wel een lange broek. Mijn zus natuurlijk niet want dat deden meisjes en vrouwen nog niet in die jaren.

Moeder droeg vaak een hoofddoekje. Het zal wel geweest zijn om de haren mooi in de krul te houden. Zelfs toen ze al heel oud was en in De Stelp woonde had ze altijd een plastic hoofddoekje bij zich. Regende het, dan ging steevast het plastic geval over de gekrulde haren.

‘Och heden’, zegt buurvrouw, ‘wij kregen toen de petticoat en later in de jaren zestig de minirok. Maar ik weet ook nog dat ik vroeger een gebreid zwempak had. Dat blubberde vreselijk als je uit het water kwam!’

‘En dan waren daar de zondagse kleren’, zegt Watze, ‘was je een hele dag vrij van school en kon je niet spelen zoals je graag wilde. Want ja, je mocht tenslotte niet smerig worden!’

Sokken en kniekousen waarin gaten kwamen die gestopt werden. De allereerste foto’s van mijn zussen en mijzelf laten zien dat alleen onze oudste zus schoenen aan had. Ze zijn gemaakt omstreeks 1950 en wij dragen alle drie nog klompen. ‘En je moet weten’, vertel ik, ‘dat ik heel slecht kon lopen op klompen. Het deed me altijd vreselijk zeer op mijn wreef.’ ‘En dan heb je nu een blotevoetenpad bij het Natuurcentrum’, zegt buurvrouw. ‘Nou mij niet gezien hoor ik ben blij dat ik schoenen heb. Ik trek ze af en toe alleen uit op het strand. Maar wanneer ik bij die houtsnippers of schelpen kom gaan ze direct weer aan. Maar ze schijnen het leuk te vinden. Echt weer eens op blote voeten over van alles en nog wat te lopen.’

‘Ze doen maar, mij niet gezien’, aldus Watze, ‘zal ik nog even wat anders inschenken?’ En dat laatste zien we graag tegemoet.

Jan J. de Vries

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven